Kees Valkenstein

Wie was Kees Valkenstein?Kees Valkenstein

Hij was ongetwijfeld een van de meest markante bewoners die Vleuten de laatste honderd jaar heeft gehad: Kees Valkenstein. Geboren in 1862 en overleden in 1952, enkele weken voor zijn 90ste verjaardag. Hij was een veelzijdig kunstenaar die als onderwijzer naar Vleuten kwam en in de tijden dat hij daar woonde (in totaal vestigde Kees zich driemaal in deze gemeente) door zijn leefwijze een dermate diepe indruk maakte, dat hij dorpsgenoten die hem ook maar enigszins hebben meegemaakt nog steeds levendig voor de geest staat. Vooral als schrijver van jongensboeken en vele revues van Henri ter Hall genoot hij grote bekendheid.

Kees Valkenstein werd op 2 oktober 1862 als Cornelis Johannes Valkestijn in Utrecht geboren. Na de lagere school en de normaalschool te hebben bezocht was hij van 1880 tot 1884 onderwijzer in Utrecht. Op 10 september 1884 solliciteerde hij naar een vrij gekomen betrekking als onderwijzer bij de openbare school in Vleuten. De tekst van de brief, waarin hij zijn persoon onder de aandacht brengt, is kort en krachtig.: “Aan den EdelAchtb. Heer Burgemeester der gem: Vleuten. Ondergetekende neemt bij deze de vrijheid ombij U EdelAchtbare aan te melden, ter vervulling der in Uwe gemeente opengevallen betrekking van onderwijzer aan de Openbare School. Zich beleefd bij u EdelAchtbare aanbevelende, heeft hij de eer te zijn van U EdelAchtbare de Onderdanige Dienaar Corn. J. Valkestijn”.

 

Afgezien van de hoeveelheid beleefdheidsfrases geen schrijven dat uitblinkt door overtollige informatie. Vandaag de dag is dat wel even anders, maar toentertijd werd een kennisgeving van levendige interesse waarschijnlijk als voldoende gezien.
Nadere informatie verkreeg de gemeente bij de Arrondissement Schoolopzichters (tegenwoordig zou dat de Inspecteur voor het Onderwijs zijn) die kennelijk bevredigende inlichtingen verschafte, want na diens voordracht besloot de gemeenteraad Kees Valkenstein tot onderwijzer te benoemen. Dit gebeurde op 19 december, dus 9 (!) dagen nadat de sollicitatiebrief was geschreven. In december 1884 vestigde de nieuwe onderwijzer zich in Vleuten. Hij ging in de kost bij hoefsmid Johannes Staal en diens vrouw Wijntje Miltenburg, die in de Dorpsstraat woonden.

Wat voor iemand was Kees Valkenstein?

Uit de beschikbare gegevens wordt duidelijk dat hij zeker geen doorsnee burger was maar een markante persoonlijkheid die zijn eigen gang ging. Daarbij schuwde hij geenszins er een eigen mening op na te houden en deze al dan n iet gevraagd, duidelijk kenbaar te maken. De termen waarmee hij wordt omschreven variëren van ‘buitenissig’ en ‘eigenzinnig’ tot ‘een aardige man met gevoel voor humor’.
Zijn aard had ook romantische kanten. Dat bleek uit een aantal van zijn brieven en beschrijvingen van mensen die hem hebben gekend. Verder was hij iemand die veel van kinderen hield. Dit uitte zich onder andere door het vertellen van zelf verzonnen verhalen in de klas die hij later op schrift zette en waarbij hij tekeningen maakte. Kees had het ongeluk met een bochel door het leven te moeten. Voeg daarbij dat hij nog wel eens de gewoonte had met een kat op zijn schouder een stukje te gaan fietsen en het zal duidelijk zijn dat zijn verschijning in het dorp niet onopgemerkt bleef.

 

Van huis uit was Kees rooms-katholiek, maar al snel deed hij hier weinig of niets meer aan. Iemand die in die tijd openlijk zijn desinteresse voor het geloof tentoon spreidde en er tevens krachtig voor uit kwam dat hij de ideeën van de dorpsnotabelen niet altijd waardeerde viel op in de dorpsgemeenschap. Hij werd daarom door velen omschreven als ‘de rooie’, een term die toen was gereserveerd om hiermee mensen met een socialistische gedachte aan te duiden. Zelf schreef hij in 1905 in een van zijn brieven tegen alle politiek te zijn; de roomse, de christelijke, de liberale en de socialistische. De eerste twee verafschuwde hij het meest., omdat deze volgens hem de beginselen van Christus misbruikten en verknoeiden.

 

Kees Valkenstein was een veelzijdig mens. Tijdens de Russisch-Japanse oorlog (1912) zat hij als correspondent van het Algemeen Handelsblad in het Verre Oosten. Ook heeft hij de Balkan bezocht. In het gemeente archief bevinden zich krantenknipsels waarin Kees zijn belevenissen in Turkije beschrijft. Ook in het boek “Passage Instaboel”’ staat de naam van Kees Valkenstein als reiziger vermeld. Reizigers die er rond 1900 verbleven, zijn Maurits Wagenvoort, Marius Bauer en Kees Valkenstein, en hun decadente Franse tijdgenoot Pierre Loti. Kees is op een van zijn reizen nauwelijks in Konstantinopel gearriveerd of de revolutie breekt uit en de tirannieke sultan Abdül Hamid II wordt afgezet. De hoofdredactie van de krant wrijft zich in de handen. Men heeft nu in één klap een correspondent (een groot voorrecht in die tijd) in het hartje van het vuur zitten. Want Kees kan vrijwel vanaf zijn hotelbalkon het neersabelen van de paleiswacht zien.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Henri_ter_Hall

Informatie verkregen uit: De Brug-woensdag 24 juli 1996 en Kees Valkenstein en de Vleutense polder (uitgaven Historische Vereniging Vleuten – De Meern – Haarzuilens III 1986)

 

Kees als schrijver

1914-1940 Van boekenplankje tot prijsvraag

De Eerste Wereldoorlog mag dan ongunstig geweest zijn voor de economische en materiële ontwikkeling van Nederland, een aantal maatschappelijke ontwikkelingen raakt juist in een stroomversnelling met als gevolg dat de afstand tussen hoog en laag, boven en onder kleiner wordt. Zo groeien de middengroepen in aantal en autoriteit dankzij de industrialisatie, de verplichte scholing voor iedereen en de voortschrijdende democratisering – vrouwen krijgen in 1919 kiesrecht.

Deze ontwikkeling is niet direct zichtbaar in de leescultuur van die jaren. De beheerders van de Reizende Volksbibliotheek klagen in 1925 tenminste over de teruggang in de leesbelangstellmg op het platteland. De schuld daarvan schuiven zij op de algehele malaise, de noodgedwongen verhoging van het een geld – een cent per week! – én de opkomst van de radio. Ze is wel zichtbaar in de strategieën van uitgevers en leesbevorderaars die een groter publiek proberen te bereiken.

In navolging van de Amsterdamse Nutskinderleeszaal, beter bekend als ‘De Wijde Steeg’, worden op verschillende plaatsen in het land ( Utrecht, Rotterdam, Den Haag) kinderleeszalen of jeugdbibliotheken opgericht. Daarvan getuigt de oproep van een spraaklerares te Emmen in Het Kind: ‘Wij
moeten de jongens en meisjes in de gemeente Emmen (Dr.) op winteravonden van de straat houden. Maar dan moeten wij ze er ook iets voor terug geven. Een leeszaaltje, met goed licht en warmte, met tafeltjes en stoelen, en in eeerste plaats goed voorzien van boeken. Alle boeken zijn welkom! – Kijkt U uw boekenkast eens even na, of U niet iets missen kunt; meestal heeft U veel te veel boeken thuis en zoekt alleen naar een gelegenheid een goede bestemming voor ze te vinden. Welnu! stuurt U die oude boeken dan.’

Stonden voor de Eerste Wereldoorlog vooral de criteria voor het goede kinderboek in de belangstelling, nu beijveren de drie zuilen zich voor het winnen van lezers, ieder vanuit de eigen levensovertuiging. De neutrale zuil bekleedt in die strijd de sterkste positie. Niet alleen omdat onderlinge verdeeldheid tussen orthodox en vrijzinnig zoals bij de protestanten en de katholieken ontbreekt, maar ook omdat er meer ‘neutrale’ boeken zijn.

Het verzuild winnen van lezerszielen blijkt uit de oprichting van een Keurraad voor Roomsche Jeugdlektuur op 25 juni 1924, de latere IDIL. De Keurraad bekijkt de boeken voor de jeugd vooral vanuit ‘godsdienstig-zedelik’ oogpunt. Twee jaar later introduceert een ‘neutrale’ Commissie voor kinderlectuur en kinderbibliotheken De kleine Vuurtoren, een jaarlijkse gids met adviezen over nieuw verschenen kinder- en jeugdboeken. In feite de voorloper van de huidige Boek- en Jeugdgids van NBLC en CPNB. In 1933 volgt de Stichting Jeugdlectuur te Amsterdam die vanuit een positief christelijk standpunt goede lectuur onder de jeugd wil brengen. Het middel daartoe is opnieuw een lectuurgids met ‘principiële’ voorlichting over boeken die voor jongeren bestemd zijn alsook over boeken die voor ouders en jeugdleiders van belang zijn.

Van Holkema & Warendorf, die van oorsprong christelijk hervormde wortels heeft, schaart zich onder de neutrale zuil en ontwikkelt met behulp van boekenlijsten en aantrekkelijk uitgegeven brochures een eigen commercieel beleid om het lezen en de verkoop van haar boeken te bevorderen. Ons boekenplankje, ‘Een Nieuwe goedkoope Bibliotheek voor Jongens en Meisjes’ (1922), neemt in dat beleid een bijzondere plaats in.

‘De tijden zijn duur en de tijden zijn slecht is de algemeen gehoorde klacht en men moet zich zoveel mogelijk bezuinigen. En wanneer er dan bezuinigd wordt, dan komen daarvoor allereerst de boeken in aanmerking, want boeken zijn duur. Weet men echter wel wat men zijn kinderen onthoudt, als men ze geen goede boeken meer geeft, men onthoudt ze niet alleen veel genot, maar men staat hun ontwikkeling voor het betere leven in den weg. Een boek is de beste vriend voor jong en oud!

Wij willen nu beginnen met de boeken weer goedkoop te maken en vooral de boeken voor de jeugd. Maar deze goedkoope boeken moeten én wat inhoud betreft én wat de uitvoering aangaat, toch tot de allerbeste behooren. Wij hebben ons daartoe in verbinding met de beste schrijvers, teekenaars en
drukkers gesteld en het resultaat daarvan is de verschijning van Ons Boekenplankje.’

De eerste twaalf boeken – in linnen gebonden met elk vier plaatjes en een in vier kleuren gedrukt omslag van Netty Heyligers – kosten ƒ1,25 per deel. Bij intekening op de hele serie kan men voor ƒ5,- het bijpassende eikehouten kastje aanschaffen. Die lage prijs is mogelijk dankzij de hoge oplagen, het laten binden van maar liefst 50.000 exemplaren tegelijk en het uitbrengen van herdrukken van gerenommeerde auteurs. Zo levert C.Joh. Kieviet een bewerking van Gullivers reizen. J.J.A. Goeverneur vertelt over Don Quichot van La Mancha en bekende ‘vrouwelijke schrijfsters’ als Agatha en Suze Andriessen over mooie meisjes en hun kostschoolperikelen.

Deze vorm van propaganda werkt kennelijk, want al in het voorjaar van 1923 worden de volgende zes delen aangekondigd. Onder andere ‘Een vroolijk Troepje’ van Rina van der Hout met daarin Loes en Mies, ‘aardige figuurtjes die heel het boek door van een amusante beweeglijkheid en praatlust zijn’ en het jongensboek Jack van Wely van Bob Haringsveldt, ‘een sympathieke jongen vol moed en waarheidszin’ die kattekwaad en ongelooflijke streken uithaalt. De serie omvat uiteindelijk vierentwintig delen.

Zes jaar later (1928) verrast Van Holkema & Warendorf de kinderboekenwereld met een poging niet alleen de kwantiteit maar ook de kwaliteit van het jeugdboek te verbeteren. Het middel daartoe is een prijsvraag ter waarde van ƒ1.000,- voor de auteur van het beste Jongensboek en het beste Meisjesboek.

De winnende manuscripten zullen worden gepubliceerd in de serie Bekroonde Boeken voor jongens en meisjes, voortreffelijk uitgegeven op houtvrij papier met linnen band en duidelijke druk, voor ‘den billijken prijs’ van ƒ2,90 voor gebonden exemplaren of ƒ2,- voor ingenaaide. De motieven voor de prijsvraag lopen uiteen: ‘Reeds sedert jaren is geklaagd over het gehalte van de jongens- en meisjesboeken.
Verschillende commissies werden samengesteld om deze kinderlectuur te beoordeelen en de goede boeken aan te bevelen. Om te komen tot een serie boeken, waarvan men vooruit weet, dat ze in alle opzichten zouden voldoen,hebben wij onze prijsvragen uitgeschreven. Wij hadden daarbij een tweede doel voor oogen en wel om aankomende auteurs aan te moedigen, sluimerende talenten te doen ontwaken en nieuwe auteurs te ontdekken, die wat aan onze jongens en meisjes te vertellen hebben. In dit opzicht zijn wij zeker ook geslaagd. Maar om onze prijsvragen het vertrouwen van het publiek te geven en verzekerd te zijn, dat het beste gekozen zou worden, hebben wij een jury van hoogstaande vrouwen en mannen uitgenoodigd… Zoo zijn wij verzekerd, dat het allerbeste gekozen werd.’

Deze jury van hoogstaande vrouwen en mannen, met onder meer C.Joh. Kieviet, Theo Thijssen, Top Naeff en J.P. Zoomers-Vermeer, krijgt maar liefst 143 manuscripten te beoordelen. Daarvan vallen bij eerste lezing meteen een honderdtal af. Na veel discussie over de resterende veertig wordt besloten een achttal boeken te selecteren voor publikatie in de nieuwe serie. Vier jongensboeken: Averij door Marie C. van Zeggelen, Onder de Duinkerkers door G.C. Hoogewerff, De stem in het Bosch door  L.D.A.P. van Son en Keesie Oranje door Kees Valkenstein. En vier meisjesboeken: Wij, met ons vijven, in Rome door Tine Cool, Het Beugeljong door Anna Hers, Ons Honk door Diet Kramer en Didi’s avonturen door Chr. Moresco-Brants.

‘Schiet op!’ zei de man die ’n eind aan het gevecht gemaakt had tegen de slungel. ‘Vooruit en gauw wat!’ ‘Ik mot eerst me pet hebbe,’ zei Keesie Oranje, die alweer z’n broek stond op te sjorren. ‘Hier leit ie,’ zei de vrouw, ‘zet ‘m maar gauw op je rooie pruik.’ De vrouw had gelijk. Keesie z’n haar leek wel oranje en daarom noemden ze hem in de buurt ook Oranje. Maar Keesie vond het helemaal geen scheldnaam.

Uit: Keesie Oranje. Kees Valkenstein

De eerste prijs gaat respectievelijk naar Averij en Wij, met ons vijven, in Rome, al zullen het onsterfelijke Het Beugeljong, Ons Honk en Keesie Oranje populairder blijken te zijn. De pers reageert laaiend enthousiast.

 

Bibliografie

Titel Verschenen in Uitgeverij
Kabouters In Het Bosch 1906 W. de Haan (Utrecht)
De Koningspoes 1907 C.A.J. van Dishoeck
Vertelsels 1908 W. de Haan (Utrecht)
In en Om Stamboel 1909 W. de Haan (Utrecht)
Nieuwe Vertelsels 1909 W. de Haan (Utrecht)
Nog meer Vertelsels 1910 W. de Haan (Utrecht)
De Aeroplaan van M’nheer Vliegenthert 1910 W. de Haan (Utrecht)
Met De Padvinders Op Avontuur 1911 W. de Haan (Utrecht)
Weer wat nieuws 1911 W. de Haan (Utrecht)
Prins Alphabet 1912 W. de Haan (Utrecht)
Altijd Wat Anders 1912 W. de Haan (Utrecht)
In De Naftabus 1913 W. de Haan (Utrecht)
Wat Een Verrassing! 1913 W. de Haan (Utrecht)
De Algebraclub 1915 W. de Haan (Utrecht)
Het Bivak Van De Ratelslang 1915 W. de Haan (Utrecht)
Wat Zou Het Zijn? 1915 W. de Haan (Utrecht)
De Auto Van Mevrouw (blijspel) 1915
Tom Tiddelium 1916 W. de Haan (Utrecht)
De Verdwijnmachine 1917 W. de Haan (Utrecht)
Peter 1919 W. de Haan (Utrecht)
Jan Utenham (geschreven onder psuedoniem Bert Pysan) 1923 Nijgh en Van Ditmar Uitgeversmaatschappij
Keesie Oranje (Het boek werd bekroond in een wedstrijd) In
1972 werd de 5de druk geïllustreerd door Rien Poortvliet
1928 Van Holkema en Warendorf
Minke De Zoon Van De Inbreker 1933 G.B. van Goor Zoonen’s Uitgeversmaatschappij
Veel van zijn boeken werden in een latere druk uitgegeven
doorG.B. van Goor Zoonen’s Uitgeversmaatschappij